Het looiproces in de late Middeleeuwen

Het procédé van het leerlooien kende een aantal handelingen, die achtereenvolgens beschreven zullen worden. In eerste instantie werden de huiden van hoorns, oren en staart ontdaan.
De eerstvolgende procesgang heette het zogenaamde stromen en bestond uit het wassen van de vuile huiden door ze enige dagen te dompelen in het stromende water van de Jeker.
In een volgende fase ("het nathuiswerk") moesten de haren en vleesresten van de huid verwijderd worden. Dit gebeurde door middel van een kalkbad. Door bacteriologische inwerking lieten de haren en de opperhuid los. De schoongemaakte natte huid werd daarop te drogen gehangen. In een volgend stadium werd de binnenzijde van de huid ontvleesd met schraapijzers of schaafmessen. Dan pas begon het eigenlijke looiingsproces in grote ronde eikenhouten kuipen. De diameter van deze looibakken bedroeg 1 à 2,5 meter, de hoogte 1 à 1,5 meter.

Voor de produktie van zoolleer werden plantaardige looistoffen gebruikt. Tussen de huiden werd zogenaamde run (= gemalen eikenschors) gelegd en looiwater toegevoegd. Ten gevolge van de chemische inwerking van de run veranderde de huid in leer. Dit looiproces kon 1,5 à 2 jaar duren.
Voor de produktie van bovenleer werden dierlijke produkten, vetten en oliën ingezet. Om de huiden dun en slap te krijgen moesten deze "gebeitst" worden. Daarvoor gebruikte men naast tarwezemelen honden-, duiven- en kippenmest.


Dan volgde het eigenlijke looiproces van de vellen. Door ze tenslotte te bewerken met olie of dierlijk vet kreeg men bovenleder.
Door toevoeging van mineralen, met name aluin (= dubbelzout van aluminium- en kaliumsulfaat) en keukenzout, werden de fijne leersoorten gelooid. Het gaat daarbij vooral om vellen van kleine dieren, zoals konijnen, schapen en geiten. Van witleder werden vooral harnassen en paardentuig vervaardigd.

De looiers die bij de produktie van de drie genoemde leersoorten betrokken waren, hadden elk een eigen benaming. De eerste groep was die van zoolleerlooiers, de tweede die van de witmakers en de derde die van de leertouwers, huidenvetters of cordeweners. Samen met de bontwerkers vormden deze drie groepen de vier ambachten die zich in Maastricht met de leerbewerking bezighielden. De leertouwers waren aangesloten bij de schoenmakers gezien en hadden een gemeenschappelijke luibe
(= gildehuis), waar zij gezamenlijk vergaderden. In eerste instantie was deze luibe "In de Lanscroon" in de Grote Staat gevestigd, daarna Achter het Vleeshuis pandnummer 39 en tenslotte tot aan de opheffing van de ambachtsgilden in 1795 aan de Grote Gracht.

 

terug | verder

 

 

 



De economische betekenis van de looiers en schoenmakers

Sinds 1379 maakten de vertegenwoordigers van de ambachten een belangrijk deel uit van de stedelijke raad en speelden zij een vooraanstaande rol in de politiek van de stad. In de 13e en 14e eeuw bedienden de leerlooiers slechts de locale markt.
Tot in de 15e eeuw droegen de Maastrichtse burgers overwegend zogenaamde trippen, houten schoenen waaraan leren bandjes bevestigd zaten. Dergelijke trippen werden gedragen om het leer tegen slijtage en vuil te beschermen. In de late Middeleeuwen werden zogenaamde gekeerde schoenen gedragen. Deze waren uit één stuk leer vervaardigd. Vanaf de 16e eeuw ging men schoeisel in twee delen maken. Eerst werd van zacht, ingevet leder een bovenstuk, de "schacht", gevormd. De laatste werd dan over een leest getrokken en eronder werd een zool met pekdraad bevestigd. Bij opgravingen op het terrein van Hotel Derlon (1983) werden twee houten schachtenvormers ontdekt. Ze werden waarschijnlijk gebruikt om de schachten van hoge schoenen op de juiste wijdte te brengen. Op een weliswaar 12e eeuwse tekening is een schoenmaker met vergelijkbare werktuigen in de weer om een hoge schoen te vormen.

Omstreeks het midden van 16e eeuw begon de Maastrichtse leerproductie zich als exportmarkt te ontwikkelen. Nadat in de voorgaande eeuwen de export zich vooral op de Vlaamse en Brabantse steden geconcentreerd had, richtte de uitvoer zich nu meer naar het oosten: met name Frankfurt. Tot in de 18e eeuw bleef Frankfurt de belangrijkste afnemer van Maastrichts leer. De opkomst van andere aanbieders op de wereldmarkt en de starre organisatiestructuren van de Maastrichtse leerbewerkers betekenden een sterke teruggang van de Maastrichtse looiersactiviteiten in de loop van de 18e eeuw.

In die fase konden alleen de leertouwers nog enigzins het hoofd boven water houden door zich te specialiseren in het vervaardigen van stevels, d.w.z. hoge laarzen, een benaming die in het locale dialect nog voortleeft als "stievele".
In het begin van de 19e eeuw zijn in de Grote Looiersstraat nog maar enkele looiers actief. Uit historische bronnen kan afgeleid worden dat Frissen, Gesondt, Nijpels en Nijst de laatste vertegenwoordigers zijn geweest van een ambacht, dat vanaf de late Middeleeuwen tot in de 18e eeuw tot de belangrijkste economische activiteiten in Maastricht heeft behoord.

terug | verder