Leren brandemmers om stadsbranden te blussen

In de late Middeleeuwen werden de Maastrichtse huizen opgetrokken in vakwerkbouw met rieten daken. Deze gebouwen waren zo brandgevaarlijk, dat bij brand in een mum van tijd hele woonblokken in vlammen opgingen. Tijdens de brand van 1612 werden in één keer 42 huizen verwoest.

In de 17e en 18e eeuw verdween het vakwerkhuis uit het stadsbeeld en werden de huizen in gezaagde mergelsteen gecombineerd met blauwe Naamse steen opgericht. De rieten daken werden op hun beurt vervangen door minder brandgevaarlijke leien daken. Bij stadsbranden werden leren brandemmers ingezet om de brand te blussen. In een raadsbesluit uit 1469 werd bepaald, dat alle ingezetenen van de stad een lederen emmer ter waarde van een halve Rijnse gulden moesten bijdragen. Bij het witmakersambacht bestond in de 17e eeuw het entreegeld uit 12 gulden en een leren brandemmer.

Een emmer, waarop het stadswapen van Maastricht en het jaartal 1786 afgebeeld staan, was de proeve van bekwaamheid die een schoenmaker moest afleggen om de meestertitel te verwerven. Op een gravure uit 1759 hangen aan het plafond van een vleugel van het voormalige Minderbroedersklooster aan de Pieterstaat 600 brandemmers klaar om ingezet te worden bij brand. Uit een nabijgelegen Jekerarm kon water geput worden ten behoeve van de bluswerkzaamheden. De geringe hoeveelheden water, die op deze wijze naar de brandhaarden getransporteerd konden worden, illustreren uitstekend dat brandbestrijding in die dagen vechten tegen de bierkaai was.


terug | verder

 

 

 


 

Wie de schoen past...

In 1979 werd bij rioleringswerkzaamheden in de Catharinastraat (een zijstraat van de Boschstraat) een mestvaalt met ruim 130 stukken leer onderzocht.
Het merendeel van de leervondsten bestond uit fragmenten van schoeisel.
Op een totaal aantal van 36 complete zolen werden 50% dames-, 40% heren- en 10% kinderschoenen geïdentificeerd.
Een vanwege de karakteristieke knopvormige veteruiteinden als knooplaars omschreven hoge schoen kon door O. Goubitz gerestaureerd worden.

In dezelfde afvalhoop werd een fraai versierde leren messchede geborgen.
In diagonaal verband waren Franse lelies ingesneden. Het vondstensemble dateert uit de 14e eeuw.
De schoenmaten van het leren schoeisel dat uit de Maastrichtse beerputten kon worden geborgen kon worden, variëren voor de damesschoenen tussen 32 en 26, voor de herenschoenen tussen 39 en 41.
Deze maten zijn ongecorrigeerd.
De krimpfactor voor het zoolleer van laat-Middeleeuws schoeisel bedraagt circa 8%, voor bovenleer circa 12%.

 

terug | verder