![]() |
De vondstomstandigheden
Het grootste aantal van de Maastrichtse leervondsten stamt uit beerputten. Deze ronde mergelstenen constructies dienden als toiletten waar de mensen hun behoeften in deden. Daarnaast fungeerden ze als afvalputten, waarin alle overbodig geworden huisraad werd gegooid. Meestal worden ze bij opgravingen aangetroffen zonder de karakteristieke koepelconstructie, die een gebruik als toilet mogelijk maakte. In het Boschstraatkwartier werd in 1985 een mergelstenen beerput ontdekt, waarop zich nog de koepel bevond. De beerputkoepel is geheel afgebroken en weer opgebouwd in het noordelijk gangenstelsel van de St.-Pietersberg. De mergelstenen constructie is als het ware weer teruggebracht naar zijn plaats van herkomst. |
Centraal in de expositie staat een mergelstenen beerputring opgesteld, waarin diverse leervondsten bij wijze van spreken teruggebracht zijn naar hun vindplaats. Mede omdat vele voorwerpen in andere materiaalsoorten (met name van aardewerk en glas) in dezelfde putten terecht zijn gekomen, kunnen de schoenen en andere leervondsten vrij goed gedateerd worden. De meeste vondsten dateren uit de 15e en de 16e eeuw. Uit historische bronnen is af te leiden dat juist in deze periode de Maastrichtse leernijverheid haar grootste bloeiperiode heeft gekend.
| Romeins schoeisel
De oudste leervondsten, die in de Maastrichtse bodem zijn aangetroffen, dateren uit de Romeinse tijd. Op de voormalige Maasoever aan de Houtmaas heeft een schoenmaker ongeveer 1900 jaar geleden zijn werkplaats gehad. In drassige lagen die zich nu 4 meter onder de grond bevinden, is toen het nodige leerafval gedumpt. Een groot aantal van deze leerresten is afkomstig van een soort schoeisel dat vervaardigd is uit één stuk leer, dat zowel zool als bovenleer vormt. Dit schoentype stond in de Romeinse tijd bekend als "carbatina". Het is qua makelij vergelijkbaar met wat in andere culturen een mocassin wordt genoemd. |
![]() |
![]() |
Een dergelijk eenvoudig schoeisel
past in de inheemse prehistorische traditie, waarvan in Maastricht tot op heden geen andere
voorbeelden ontdekt zijn. Een gereconstrueerd model van de carbatina is in één
van de vitrines opgenomen. Enkele leren afsnijdsels zijn de overblijfselen van het vervaardigen van schoenzolen. Samen met de vondst van een kopspijker wijst dit op het maken van bespijkerd Romeins schoeisel. De kopspijkers onder de sandalen waren noodzakelijk, omdat anders de leren zolen te snel zouden slijten door de lange dagmarsen die de Romeinse militairen moesten afleggen. Dergelijke sandalen worden caliga's genoemd. |
Aan dit schoeisel heeft de Romeinse keizer Caligula (die regeerde tussen 37 en 41 na
Chr.) zijn bijnaam te danken. Deze keizer trok als kleine jongen zoveel op met Romeinse
soldaten, dat ze hem het koosnaampje Caligula (soldatenlaarsje) hebben gegeven. In de
expositie is een natuurgetrouwe reconstructie van een Romeinse soldaat te zien. Het
grotendeels leren uniform behoort tot de uitrusting van een pretoriaanse gardist. De
pretoriaanse garde was de keizerlijke lijfwacht, die in Rome was gelegerd. De uniformen
worden bij optredens gedragen door de onlangs opgerichte "Romeinse Garde
Maastricht". De schoenen en het leren harnas zijn vervaardigd op basis van elders
gedane vondsten uit archeologische opgravingen en afbeeldingen van pretorianen op
grafstenen en monumenten, zoals de zuil van Trajanus in Rome.