Vanwaar kwam het hertshoorn ?
Alle voorwerpen in hertshoorn, opgegraven te Maastricht, zijn gemaakt uit het
gewei van edelherten. Het is aannemelijk dat deze soort nog in de omgeving voorkwam
gedurende de laat-Romeinse en vroeg-middeleeuwse periode. Fragmenten van de basis
van het gewei, die tussen het afval werden gevonden, tonen dat het bewerkte materiaal
bijna altijd van afgeworpen geweien kwam.

Dit betekent dus dat het gewei van gejaagde herten, dat men van de schedel moest
loshakken, vrijwel geen belang had in de bevoorrading van de hertshoornbewerker.
De grondstof werd in het voorjaar in de natuur verzameld, een karwei dat waarschijnlijk
niet door de geweibewerkers zelf werd uitgevoerd. Er moet veeleer een soort netwerk
hebben bestaan waarbij de afgeworpen geweien naar centrale plaatsen werden gebracht
of waarbij de bewerkers naar het platteland trokken om de grondstof op te kopen.
Het kan voorlopig niet worden bewezen dat alle gewei uit Maastricht van herten
komt, die in de buurt leefden.

Het is immers ook mogelijk dat geweien uit andere streken werden ingevoerd, om
aan de grote vraag naar grondstof te voldoen. Het blijft opvallend dat te Maastricht
en omstreken in de Romeinse tijd (1ste - 3de eeuw) enkel been werd bewerkt, terwijl
in de laat-Romeinse periode plots gewei een belangrijke grondstof wordt. Naar
alle waarschijnlijkheid hangt dit samen met de opname van militairen van Germaanse
herkomst in het Romeinse leger. Door de bouw van een vesting was Maastricht namelijk
van strategisch belang geworden en wordt de (tijdelijke) aanwezigheid van militairen
aannemelijk. Verschillende attributen (zoals bronzen mantelspelden en met de hand
gevormd aardewerk) worden als typisch "Germaans" beschouwd.
Ze duiden op "nieuwkomers" van gebieden buiten het Romeinse rijk, die zich in
het achterland gevestigd hebben en hun eigen cultuurgoed hebben meegenomen. Het
verzamelen, verwerken en gebruiken van hertshoorn behoort tot dergelijke uitingen.
Bij de Germanen werd het edelhert geassocieerd met de ongerepte natuur. De begraving
van een edelhert te Heeten (Overijssel) in het "Vrije Germanië" wordt als een
rituele bijzetting geïnterpreteerd. De tijd waarin dit gebeurde, de 4de eeuw na
Chr., komt opvallend genoeg overeen met de introductie van hertshoornbewerking
in Maastricht.