Opkomst en achteruitgang van de hertshoornbewerking in Maastricht
In de laat-Romeinse tijd bestaan er grote overeenkomsten in vorm en versiering
van kammen en andere voorwerpen die zijn opgegraven op ver uit elkaar liggende
plaatsen in Noordwest-Europa. Dit fenomeen wijst op geweibewerkers die als ambachtslieden
rondtrokken of op centrale productieplaatsen, die een groot afzetgebied hadden.
In de Merovingische periode wordt de uniformiteit minder groot en worden de
resten van hertshoornbewerking op diverse plaatsen teruggevonden.

Dit wijst eerder op een gespreide productie op beperkte schaal. Daarnaast loopt
de kwaliteit van de eindproducten terug. Het blijft vooralsnog onduidelijk of
er in die tijd één enkele ambachtsman zich verplaatste van klant naar klant
of dat verschillende hertshoornbewerkers op diverse plaatsen actief zijn geweest.
De beperkte afzetmarkt voor relatief lang meegaande kammen, de schaars voorhanden
zijnde grondstof en de vereiste "know-how" doen veronderstellen dat een gering
aantal ambachtslieden de klanten opzocht. Te Maastricht vinden we geen bewerkte
hertshoorn, daterend van na de 8ste eeuw. Uit het Vrijthof-grafveld is een van
de meest recente kammen afkomstig.
Het is een éénzijdige kam, die qua vorm afwijkt van alle overige Merovingische
exemplaren uit Maastricht. Misschien is hij wel geïmporteerd uit meer noordelijke
gelegen streken, waar dit type in die periode en later in de Karolingische periode
(8ste -10de eeuw) gebruikelijk is. Andere vindplaatsen uit de Lage Landen, zoals
Dorestad of Antwerpen, tonen aan dat geweiproductie daar wel verder ging en
in de Lage Landen over het algemeen actief werd uitgeoefend in de Karolingische
periode en de volle Middeleeuwen (8ste - 12de eeuw). Daarna werd been de belangrijkste
dierlijke grondstof waaruit ambachtslieden voorwerpen zaagden.
Wellicht heeft deze overgang veel te maken met het verminderd beschikbaar zijn
van hertengewei.
Door een steeds grotere jachtdruk en grootschalige ontbossingen, werden de populaties
van edelhert gedurende de Middeleeuwen steeds verder gedecimeerd en werd gewei
schaars.
De druk op de hertenpopulaties zien we zelfs al in de vondstensembles uit Maastricht,
waar in de jongste contexten (7de eeuw) geweien van gejaagde dieren meer frequent
worden dan afgeworpen geweien. Waarschijnlijk kon het inzamelen van afgeworpen
geweien in het voorjaar niet langer aan de vraag voldoen.