
Reeds in 1843 vermeldt de voormalige directeur van het Rijksmuseum van Oudheden
in Leiden, C. Leemans, een groot aantal afgezaagde kronen, takken en toppen
van horens van herten, die in 1840 bij de opgraving van de Romeinse thermen
in het Stokstraatkwartier gevonden zijn.
Sinds die eerste ontdekking zijn tijdens archeologisch onderzoek in Maastricht
op tientallen plaatsen resten van hertshoornbewerking en voorwerpen van hertshoorn
aangetroffen.
Met name in de directe omgeving van de O.L.Vrouwe-basiliek zijn zulke hoeveelheden
hertshoorn geborgen, dat men aan het begin van deze eeuw dacht dat onder de
huidige kerk een Romeinse tempel moet hebben gelegen, gewijd aan de godin van
de jacht, Diana.
Op dat moment wist men nog niet dat in Maastricht hertshoornen voorwerpen pas
vanaf de tijd van bisschop Servatius, dus in de tweede helft van de 4de eeuw,
zijn geïntroduceerd en dat de oudste overblijfselen van hertshoornbewerking
uit de eerste helft van de 5de eeuw dateren.
In de laat-Romeinse tijd is het merendeel van de hertshoornen vondsten gedaan
binnen de laat-Romeinse vesting of direct erbuiten. In de Merovingische periode
komt het afval van de bewerking van hertengewei over een groot areaal binnen
Maastricht voor.
De eindproducten zijn in grote getale opgegraven in het grafveld onder en rondom
de huidige Sint-Servaasbasiliek.
De jongste vondsten dateren uit het begin van de 8ste eeuw, de tijd dat bisschop
Hubertus definitief niet meer in Maastricht maar in Luik ging resideren.