Het gewei: van oudsher vol symboliek
Dat het gewei van een hert elk jaar afvalt en vervolgens opnieuw aangroeit,
moet reeds vroeg grote indruk op de mens hebben gemaakt. Bij de Kelten vereerde
men een godheid, die steevast met een hertengewei werd uitgebeeld. Deze godheid,
Cernunnos geheten, was voor hen de god van de natuur en de vernieuwing. Het
gewei is het symbool van een kracht die groeit, afsterft en herrijst in de lente.

Door een hertenoffer werd de wederopstanding gunstig beïnvloed. Op een zilveren
offerbekken, dat in Gundestrup (Denemarken) in een moeras is geborgen, staat
Cernunnos op één scene uitgebeeld.
Dit bekken werd in de 1ste eeuw voor Chr. vervaardigd en verraadt Keltische
invloed. Naast de godheid, die in kleermakerszit is weergegeven, staat een hert.
In zijn linkerhand houdt Cernunnos een slang vast, het symbool van de onderwereld
bij uitstek. De symboliek van het hert(engewei) hangt in de Keltisch/Germaanse
cultuurkring samen met de dood en de wederopstanding. Uit Niederdollendorf (Duitsland)
is een grafsteen bekend, waarop een Germaanse krijger staat afgebeeld. Met de
rechterhand kamt hij zijn haren.
Door het kammen van de haren wordt ook in het hiernamaals de voortgaande levenskracht
gesymboliseerd, die volgens de Germaanse overlevering nauw met de haargroei
verband houdt. Net als bij het bekken van Gundestrup staat ook hier een slang
afgebeeld, die blijkbaar in de dodencultus een onheilwerende functie vervult.
Het talrijk voorkomen van kammen in Merovingische mannen- en vrouwengraven hangt
samen met het geloof in een voortbestaan na de dood. Pas in de late Middeleeuwen
blijft de functie van de kam beperkt tot wat hij tot de dag van vandaag nog
heeft. De tekst bij een afbeelding van een kam in de 17de eeuw luidt kort en
bondig : "purgat et ornat" (hij zuivert en maakt mooi). Bij sommige Indianen-stammen
in Noord-Amerika kreeg de kam in deze periode juist weer een symbolische betekenis.
Rijk versierde kammen werden ook daar als grafgiften meegegeven aan de doden.