Enci-groeve herbergt wellicht tweede Mosasaurus-skelet

dinsdag 13 april 1999
Door Laur Crouzen MAASTRICHT

Het is heel goed mogelijk dat in de noordwand van de Enci-groeve in Maastricht, vlak achter hoeve Lichtenberg, niet één fossiel skelet van een Mosasauriër wordt gevonden, maar twee. Bij het uitgraven van de Maashagedis zijn namelijk Mosasauriërtanden gevonden die te groot zijn om in de gevonden kaakbeenderen te passen. De tanden brengen de Limburgse paleontoloog John Jagt, verbonden aan het Natuurhistorisch Museum in Maastricht, op de gedachte dat er wellicht nog een Mosasaurus verborgen zit in de mergel. Het moeizame uitgraven van de grote kaken, wervels en andere botten van de Mosasaurus is een paar dagen geleden na een winterstop weer begonnen. De opgravers hebben totnutoe ongeveer tachtig procent van een Mosa- saurusschedel gelocaliseerd en verder nog ongeveer 25 procent van de rest van het skelet. En die grote tanden dus. Jagt heeft bij de opgraving hulp vanuit de Verenigde Staten gekregen van de Mosasaurus-specialist dr. William B. Gallagher, conservator van het New Jersey State Museum en verbonden aan het Bureau of Natural History in Trenton, New Jersey. Ook Gallagher ondersteunt het vermoeden dat de opgraving waarschijnlijk een tweede exemplaar aan het daglicht brengt. Gallagher is op dit moment doende met het opgraven van fossiele Mosasauriërs in het Indianenreservaat Crow Creek bij de plaats Chamberlain in South Dakota. Afgelopen zondag gaf hij een drukbezochte lezing over Amerikaanse Mosasaurus-soorten. "Je kunt de Maashagedis beschouwen als de Tyrannosaurus rex van de zee. Deze vervaarlijke tijdgenoot van de laatste dinosauriërs, 65 miljoen jaar geleden, was een indrukwekkend roofdier, dat in de zee tussen Amerika en Europa huisde. Die zee was toen vele malen smaller dan de Atlantische Oceaan vandaag de dag. Vandaar dat het ook niet zo gek is, dat Mosasaurus hoffmanni, voor het eerst in Maastricht gevonden rond 1780 door blokbrekers in de St. Pietersberg, exact hetzelfde dier is als de Mosasaurus maximus, rond 1870 ontdekt door Edward Drinker Cope, een van de bekendste Amerikaanse fossielenjagers uit de vorige eeuw. Samen met Othniel Charles Marsh vocht hij een soort botten-oorlog uit met als inzet wie de meeste fossiele dieren aan een naam kon helpen. Zo hebben sommige soorten bij wijze van spreken wel vier namen." De grootste zorg van opgraver John Jagt is intussen de broze botten van de Enci-Mosasaurus zo droog mogelijk te houden. Hij wil een grote tent laten neerzetten over de hele opgraafplek om zo door te kunnen werken, ondanks het slechte weer. Een andere tegenvaller is dat de fossiele botten dwars door een vuursteenlaag heenlopen, laag achttien van de Lanaye-kalk om precies te zijn. Einddoel is om een zo compleet mogelijk skelet te conserveren en tentoon te stellen in het natuurhistorisch Museum. "Willen we dat op 10 december 1794 door de Fransen gestolen exemplaar dan nog terug?", vraagt Jagt zich af. "Ik denk het niet, als we nu een beetje boffen", geeft hij zelf antwoord.

© 1999 Dagblad De Limburger

 

terug